Napoleon bezoekt Holland in1811
LEIDEN
Gedurende de hele derde eeuw van haar bestaan trachtte de academie bij de machthebbers van het moment in het gevlei te komen: of het nu een prins van Oranje, een patriottenregering, of een Franse keizer was. De licht ironische toon van hoogleraar universitaire geschiedenis Otterspeer is bij uitstek geschikt om dit fenomeen te beschrijven. Zijn verslag van het bezoek van Napoleon aan Leiden is dan ook de moeite waard.

De senaat - het verzamelde hoogleraardom - zat op 19 oktober 1811 in het academiegebouw de tijd te doden, wachtend op de komst van de keizer, toen plots duidelijk werd dat de kleine Corsicaan niet bij de verwachte stadspoort was binnengekomen en zich reeds in Leiden bevond. Sebald Justinus Brugmans, natuurhistoricus en dé wetenschappelijke ster van de universiteit, ‘holde naar het academiegebouw om de stoet van de senaat en de vertegenwoordigers van de rechterlijke macht en de kerkgenootschappen te formeren. “Messieurs! Dépêchez-vous”. Dwars door een dichte drom van nationale gardes, erewachten, cavalerie, paardenknechten, treinpaarden en vieze koetsen wrong de stoet zich naar binnen, om daar tot de conclusie te komen dat ze de eerste welkomsttoespraak, die van Van  Halteren van de rechtbank, al gemist had. Maar Napoleon bleek niet de man om naar toespraken te luisteren. Van Halteren was de enige die zijn zegje had kunnen doen, en toen Mounier namens de kerken het woord nam, was hij dat al snel kwijt, en zelfs Brugmans, die toch van wanten wist, kreeg niet de gelegenheid uit te spreken.’

Hierop begaf Napoleon zich onder de hoogleraren om hen persoonlijk te ondervragen. Sommigen van hen waren te verbouwereerd om te kunnen antwoorden en Brugmans moest herhaaldelijk als buikspreker optreden. ‘U bent geloof ik professor in alles, niet?’, merkte de keizer scherpzinnig op.


Uit:
Willem Otterpeer: Groepsportret met Dame III. De werken van de wetenschap: de Leidse universiteit 1776-1876. Bert Bakker. Amsterdam 2005. 493 pgs